Films zoals we deze nu in de bioscoop kennen, zijn niet altijd zo geweest. Hoewel dat voor veel mensen logisch lijkt, is de filmgeschiedenis een rijke geschiedenis die al veel eerder begint dan je zou vermoeden. Want hoewel er rond 1896 de eerste films aan het publiek getoond werden, gaat de geschiedenis van de film en van bewegende beelden veel verder terug de tijd in. Want in de vijfde eeuw voor Christus, toen een Chinese wijsgeer een soort pinhole camera ontwierp, is het eigenlijk begonnen. Camera is wellicht een groot woord, want het gaat om een donkere ruimte met een klein gaatje in een muur, waardoor er licht op een andere muur geprojecteerd kan worden. Dit soort ontdekkingen zijn dus al het begin van het filmtijdperk – en worden ook wel camera obscura genoemd, en hoewel dit eerder op grote schaal was (met hele ruimtes met een muur met een gat erin) werd dit door de jaren heen verfijnd en verkleind. Dit principe werd overigens ook gebruikt door kunstenaars. Door dit principe konden ze met behulp van een spiegel iemand overtrekken op het doek.

Camera obscura, heeft er daarnaast toe geleid, dat in de achttiende eeuw er al bioscoopervaringen waren, zo kan je stellen. Er werden namelijk hele grote camera obscura’s gebouwd waar je een aantal mensen in kon zitten. De beelden werden vervolgens van buitenaf op het scherm geprojecteerd, waarmee je dus feitelijk een bioscoop ervaring had.

Christiaan Huygens

Christiaan Huygens leefde in de zeventiende eeuw (1629 – 1695) en heeft de toverlantaarn ontworpen, dit was een projectiemiddel. Daar moet overigens wel bij vermeld worden dat het vermoeden bestaat dat Leonardo Da Vinci 1,5 eeuw eerder ook al met een gelijksoortig project bezig was. Maar Huygens heeft dit principe dus uitgediept. Zijn lantaarn werkte als volgt; het was een lichtbron, met een lantaarnplaat en een projectielens. Tussen de projectielens en de lichtbron kon je een afbeelding plaatsen, die dan via de lens op een scherm werd geprojecteerd. Een van de eerste vormen van projectie, die later heeft geleid tot de projectoren in de bioscoop.

In de daaropvolgende eeuw werd de camera ontdekt, Nicephore Niepce maakte in 1816 de allereerste foto, de eerste foto die bewaard is gebleven is gemaakt in 1826. En met de komst van een camera, kwamen na verloop van tijd ook de eerste projecten waarbij er bewegende beelden te zien waren. Een van de eerste bewegende filmpjes is een serie foto’s van een paard die achter elkaar geplaatst zijn waardoor je het dier ziet bewegen. Het ontstaan van de fotocamera is dus essentieel geweest voor de filmgeschiedenis, de financiële markten en geld lenen. In 1893 werd er op de wereldtentoonstelling in Chicago de kinetoscoop geïntroduceerd, deze uitvinding van Thomas Edison, was een kastje waarin je naar beelden kon kijken. En in 1895 werd de eerste kleurenfilm een feit, nadat Edison de beelden met de hand in kleurde. De kinetoscoop werd al snel een groot succes in Europa en al snel ontstond het idee om een film te vertonen aan meer dan één persoon. Tot op heden was dit met de huidige kinetoscopen onmogelijk. En vanaf daar is het eigenlijk snel gegaan. Er werden nieuwe filmprojectoren uitgevonden, nieuwe draagbare versies van de kinetoscoop. De broers Lumière vertonen in 1895 films in Parijs. Films uit deze tijd waren kort, en duurden vaak minder dan één minuut. En bestonden vaak uit een scene, die een bepaald evenement of een gebeurtenis liet zien.